Yusuf Idris -

De Republiek van Farahaat

Leestijd 35 - 45 min

Zodra ik in het gezelschap van mijn bewaker een voet over de drempel had gezet, werd ik bevangen door een onverwachte vlaag van zwaarmoedigheid. Dit was weliswaar niet de eerste keer dat ik op het politiebureau kwam, maar het was wel de eerste keer dat ik het bij avond zag. Dat was ongetwijfeld de reden waarom ik me in een onderaardse loopgraaf waande, die niets met het heden of zelfs met het recente verleden te maken had. De muren waren voor de helft bedekt met een zwarte, verfachtige substantie en de andere helft was gehuld in een grijze nevel. De witte spatten die hier en daar te zien waren, maakten het geheel er niet aantrekkelijker op. De vloer was zo glibberig, dat je niet kon bepalen of hij van beton was, of van aangestampte aarde. En dan die lucht… Die onbestemde, misselijk makende lucht die er hing.

De ruimte werd schaars verlicht door ouderwetse lampen waarop tientallen vliegen zich hadden genesteld om hun eitjes te leggen. Het licht dat de lampen produceerden, was grotendeels veroordeeld tot levenslange opsluiting en de paar straaltjes die wél wisten te ontsnappen, waren zo zwak, dat ze de duisternis niet konden verdrijven. Als er al licht op voorwerpen of mensen viel, dan gebeurde dat alleen om alles wat er lelijk, deprimerend en afstotelijk aan was, te accentueren.

Inmiddels was ik volledig ondergedompeld in de atmosfeer van het bureau en ik kon me niet aan het gevoel onttrekken dat ik er een onscheidbaar deel van was geworden. Om me heen liepen mensen met strakke gezichten, alsof ze onder hypnose waren. Overal stonden fruitkratten en handkarren en in een hoek stonden caféstoelen opgestapeld, die door de politie in beslag waren genomen. De eigenaars van de goederen hadden zich naast de muren en in de hoeken van het gebouw verspreid, waar ze uitgeput op de grond waren neergezakt, met hun hoofd op hun knieën. De aanwezige politieagenten leken door de zwarte uniformen die ze droegen, op nachtelijke demonen.

Ik begon bijna te geloven dat ik net als de andere aanwezigen een misdaad had begaan die ik me niet meer kon herinneren, en ik had me het liefst zo snel mogelijk uit de voeten gemaakt. Maar ik kon niet weg. Ik moest die nacht op het bureau blijven, omdat ik de volgende ochtend vroeg zou worden voorgeleid. Ze wisten niet waar ze me moesten onderbrengen, want de arrestantenkamer was vol en de andere ruimte, waar de politieke gevangenen meestal werden vastgehouden, werd bezet door een groep vrouwelijke verdachten en prostituees. Uiteindelijk konden ze niets beters voor me verzinnen dan het kantoor van de waarnemend officier, waar ik samen met mijn bewaker werd achtergelaten.

Hoewel het een ruime kamer was, was hij te klein voor het aantal aanwezigen. De meest opvallende figuur was de waarnemend officier zelf, die achter zijn bureau zat alsof hij de hoofdcommandant van politie was. Rechts van hem stonden minstens vijftig geweren met hun lopen naar de kamer gericht. Achter hem was een houten bord aan de muur bevestigd, dat doorboog onder het gewicht van de kettingen, handboeien, schilden, messen en helmen die eraan hingen. Links van hem stond de gebruikelijke oude, metalen archiefkast. Kijkend naar de man kreeg ik de indruk dat hij bij iedereen ontzag afdwong en dat hij over een grenzeloze macht beschikte. Het zou me niet verbazen als hij zomaar ineens in mijn arm zou bijten of een vinger in mijn oog zou steken, ook al wist ik dat hij niets met mij te maken had en ik niets met hem.

Ik besloot mijn emoties en gedachten uit mijn hoofd te zetten en me te voegen bij de mensen die zich voor de lage houten afrastering verdrongen, hun ogen gericht op de officier.

In eerste instantie dacht ik een levenloze pop voor me te zien, gemaakt van dezelfde zwarte verf die voor de muren was gebruikt, met geweerlopen als ogen en één van de helmen die achter hem hingen als hoofd, terwijl zijn tong dan wel een zweep moest zijn. Maar toen ik van de eerste schok was bekomen en langzaam aan de ruimte begon te wennen, viel het me op met hoeveel waardigheid hij zijn dienstpet droeg. Bovendien had hij zijn uniformjas tot boven dichtgeknoopt, wat normaal niet werd gedaan, en de huid van zijn gezicht was zo strak gespannen dat hij helemaal glad en rimpelloos was, als het slagvel van een trommel. Er lag een felle schittering in zijn ogen die je het gevoel gaf dat ze niet keken, maar dwars door je heen priemden. Met zijn geforceerde stem blafte hij zijn onbegrijpelijke woorden als geweerschoten de ruimte in. Al met al deed hij me denken aan de Italiaanse generaals die ze tijdens de oorlog krijgsgevangen hadden gemaakt.

Er kwam een sergeant of een adjudant – dat weet ik niet meer – binnen, die voor hem ging staan en brulde: ‘Farahaat…’

Eerst was ik verbaasd over de informele manier van doen van de man, maar mijn verbazing verdween, toen ik hem opnieuw hoorde roepen: ‘Farahaat, meneer Farahaat…’

De waarnemend officier reageerde pas toen hij werd aangesproken als ‘mijnheer de sergeant-majoor’.

Ik liep naar voren en drukte me samen met de anderen tegen de houten afrastering. Hij sprak met een licht zuidelijk accent en zijn hoge stem, waaraan je kon horen dat hij was opgegroeid in een weidse omgeving, had door al het gebrul waartoe zijn functie hem door de jaren heen had genoodzaakt, dat typisch snerpende geluid gekregen van radio’s in dorpscafés waarvan het geluid permanent te hard staat.

Het beeld van de Italiaanse generaal verdween uit mijn gedachten en maakte plaats voor een gezicht dat was omgeven door een aura van gezag en autoriteit: zuidelijke gelaatstrekken, met een neus, zo groot als die van Ramses, en een hoog, geprononceerd voorhoofd, zoals dat van Mykérynos. Zijn gevorderde leeftijd suggereerde een lange staat van dienst bij de politie. Waarschijnlijk was hij zoals de meesten binnengekomen als een eenvoudige rekruut en had hij er jaren over gedaan om de rang van sergeant-majoor te bereiken. Zijn oude lichaam – op sommige plekken nog helemaal recht en op andere krom en vergroeid – was geperst in een uniform dat samen met een paar zware soldatenschoenen en een leren riem zijn vorm aan hem opdrong, zoals het persijzer van een kleermaker de vorm en de maat van een fez bepaalt.

Het was duidelijk aan hem te zien dat hij ingenomen was met de functie van waarnemend officier en dat hij het op prijs stelde om als een echte officier te worden behandeld. Hij had hier ongetwijfeld driekwart van zijn leven van gedroomd en uitgekeken naar de dag waarop de ster op zijn schouder zou prijken. Toch was het zo goed als zeker dat dat nooit zou gebeuren, want hoewel hij af en toe de rol van waarnemend officier op zich mocht nemen, was het moment waarop hij met pensioen zou gaan al in zicht. De ster van de zonsondergang was dus een stuk dichter bij dan de ster van tweede luitenant.

Ik liet mijn blik door de kamer dwalen. Nu pas zag ik de lege, verlaten bureaus en de kasten vol dossiers. Op een van de kasten stond een oude ventilator waarop het stof spinvormige figuren had gevormd. Hij zag eruit alsof hij al minstens tien jaar niet meer was gebruikt. Aan het plafond hing een elektrische lamp met een metalen kap, die vlak boven het over de dossiers gebogen hoofd van Farahaat schommelde. De mensen verdrongen zich rondom de houten afscheiding en hoewel het een heterogeen gezelschap was, hadden ze allemaal dezelfde angstige, verdrietige blik in hun ogen en dezelfde starre, boze uitdrukking op hun gezicht. De meesten waren verdachten die net waren teruggekomen van een verhoor bij de openbare aanklager en met een lange, ijzeren ketting aan elkaar vast zaten. Na verloop van tijd begon het me op te vallen dat ze totaal niet onder de indruk waren van de bewakers en de ketting, en zelfs niet van sergeant-majoor Farahaat. Als hij hen afblafte, krijsten ze net zo hard terug en hun opmerkingen waren minstens zo agressief als de zijne. Soms barstte er een in woede uit, omdat zijn identiteitskaart nog steeds niet van het Bureau Persoonsbewijzen was teruggekomen, waardoor hij nog langer in hechtenis moest blijven. De man vervloekte de wereld, het lot, de armoede en degenen die al die ellende hadden veroorzaakt, en het scheelde maar weinig of de waarnemend officier werd ook vervloekt. Ik zag hoe gegeneerd de officier in Farahaat zich voelde, toen hij al die mensen zo ongeremd hoorde brullen. Doordat het er zo veel waren en ze zich zo vijandig gedroegen, lukte het hem niet om hen stil te krijgen, iets wat een officier in zijn ogen wel moest kunnen. Nadat ze scheldend, tierend en met rammelende kettingen het bureau hadden verlaten, voor en achter geëscorteerd door twee agenten, slaakte Farahaat een diepe, berustende zucht, als een man die zich bij zijn lot heeft neergelegd.

Ineens zag hij er opvallend oud uit. Hij deed me denken aan een antiek voorwerp, dat tijdens een politie-inval in een dorp in beslag is genomen en nu, verzegeld met een rode fez en een officieel uniform, als een vergeten museumstuk in een magazijn ligt te verkommeren, terwijl de zegels nog volledig intact zijn.

Hij liet zijn blik over de achtergebleven aanwezigen gaan en zei: ‘Ik zweer bij God dat de zwaarste dwangarbeid nog heilig is vergeleken bij dit werk.’

Ineens liet hij zijn ogen op mij rusten en hij keek me uitnodigend aan. Ik had al uren mijn mond niet opengedaan en hoorde mezelf vragen: ‘Is er dan zo veel te doen?’

Alsof hij al een tijd op het verlossende woord had gewacht, barstte hij los: ‘Ja, dat kunt u wel zeggen, meneer. Dit is geen werk, dit is een circus, een krankzinnigengesticht. De mensen zijn gek geworden. Er komt niets uit hun handen en omdat ze niets te verliezen hebben, komt alles op ons neer. Ik werk liever honderd jaar in de metaal, dan dat ik één uur hier moet doorbrengen. En het erge is dat al die problemen waar de mensen mee komen, niets voorstellen. Het zijn allemaal leugens, ik zweer het u. Zo hadden we laatst een vent die zichzelf had verwond, en iemand die zijn hamer was kwijtgeraakt, en er was er een die beweerde dat zijn mutsje was verdwenen toen hij lag te slapen. En zo zijn er nog meer dan genoeg voorbeelden. Neem deze vrouw nou, die staat hier al de hele ochtend. Wat is er aan de hand, meiske? Ik durf er mijn naam onder te verwedden dat ze me straks komt vertellen dat ze haar in elkaar hebben geslagen en al haar juwelen hebben gestolen. Wat is er aan de hand, meiske? Wat is er gebeurd?’

Dat ‘meiske’ was een volwassen vrouw die tussen de anderen stond. Ze droeg een jurk die ooit zwart was geweest, maar door de magiër van de armoede in grijs was veranderd. Ze had een verschoten doek om haar hoofd, die maar een klein deel van haar korte, bruine, warrige kroeshaar bedekte. Haar gezicht was donkerbruin en haar ogen waren opgemaakt met kohl, die was uitgelopen door de tranen.

Ze zei op een onderdanige toon: ‘Oemm Sakiena en Ajjoesja daar, en haar nichtje Nabawiyya en die jongen…’

‘Wat is er met hen? Wat is er gebeurd?’

‘Ze hebben me vastgegrepen en me in mijn buik gestompt.’

Het volgende moment was ze in tranen. Met een dikke stem vervolgde ze: ‘En Oemm Sakiena heeft me gebeten. Hier, in mijn schouder. En ze heeft me ook nog een stomp in mijn buik gegeven. En Ajjoesja heeft mijn oorbellen uit mijn oren getrokken.’

De sergeant-majoor barstte in lachen uit, schraapte zijn keel en zei: ‘Ziet u wel, meneer? Ziet u? Had ik het niet gezegd? Allemaal leugens en bedrog! Allemaal trucjes. Wees eerlijk, meneer, denkt u dat die vrouw ook maar een cent te makken heeft? Wat waren dat voor oorbellen die ze van je hebben gestolen, meiske? Ik zou zeggen: draai je om en pak de dief!’

‘Het waren gouden oorbellen, meneer de bey, en twee armbanden.’

De sergeant-majoor keek me aan en vroeg: ‘Wie is volgens u nu het slachtoffer in dit verhaal?’

Zijn toon deed me aan de beroemde komiek Nagieb Rihani denken.

‘Nou?’

‘Ik! Ik ben het slachtoffer, meneer, want zo’n flagrante leugen is nog erger dan een roofoverval. Het is al een ramp dat het verslag in tweevoud moet, maar de grootste ramp is dat ik degene ben die alles moet opschrijven.’

Hij richtte zich weer tot de vrouw en keek haar doordringend aan, hoewel de pretlichtjes nog niet helemaal uit zijn ogen waren verdwenen. Ondertussen pakte hij zijn pen, sloeg een groot schrift open, alsof het de Poort van Mitwalli was, en zei: ‘Moge God jullie en ons allen tot zich nemen, zodat ik eindelijk rust heb…’

Toen hij klaar was met de aanhef, vroeg hij haar: ‘Hoe heet je, meiske?’

Zonder haar antwoord af te wachten, keek hij weer naar mij en zei, hoewel ik meer het gevoel had dat hij het tegen zichzelf had: ‘Ik zweer het u, ik ben hier het slachtoffer. En niet alleen in dit geval, maar in duizend andere ook. Wat zeg ik? In miljoenen! Gelooft u het niet? Hier is het register. We zijn vanochtend begonnen met een verkrachting op de hoofdweg. Daarna kwam geval nr. 592. Dat was een gestolen portemonnee. Ze beweerden dat er twee postzegels en honderdzevenenveertig pond en drieëntachtig piaster in zaten, maar ik zweer u dat er alleen twee postzegels in zaten, en misschien nog twee halve piasters. Daarna kwam er een aangifte van een koperdiefstal. Ze beweerden dat het om honderdvijftig kilo ging, maar het dienstmeisje dat ze als de schuldige hadden aangewezen, woog zelf nog geen dertig kilo. En zo gaat het maar door… Ik zit al vanaf vanochtend vroeg aan één stuk door te schrijven. En waar gaat het allemaal om? Kruimels! Niks dan leugens en flauwekul.’

Hij wendde zich weer tot de vrouw en vroeg haar: ‘Waarom zeg je niks? Vooruit, hoe heet je?’

Voordat ze kon antwoorden, begon hij ineens te grinniken, alsof hij zich iets grappigs herinnerde.

‘Neem nu dat lijk zonder eigenaar – of eigenlijk moet ik “met onbekende eigenaar” zeggen – dat ze op de vuilnisbelt hadden gevonden. Hij is moederziel alleen gestorven; er was niemand bij zijn dood betrokken. Maar waarom heeft hij uitgerekend die vuilnisbelt uitgekozen om te sterven? Dan moet zijn wereld wel erg klein zijn geweest, als hij niet eens meer de keuze had om naar Sjobra of zo te lopen. Natuurlijk, die man is dood – God hebbe zijn ziel – maar waarom moet ik daar de dupe van worden? De moraal van het verhaal is dat we allemaal, net zoals onze voorouders, zijn voorbestemd om te lijden.’

Hij keek weer naar de vrouw en zei tegen haar: ‘Kom op, vrouw, je naam!’

‘Khadiedja.’

‘Khadiedja hoe? Zeg iets!’

‘Khadiedja Mohammed.’

‘Khadiedja Mohammed hoe? Vooruit, kom eens in beweging!’

Voordat ze iets kon zeggen, legde hij zijn pen neer, steunde met zijn ellebogen op het tafelblad en nam zijn hoofd in zijn handen. Voor hem zwaaide de lamp heen en weer als de slinger van een klok waarvan de schaduw op de muur werd geprojecteerd: als een grote aap die van de ene kant naar de andere zwiepte.

‘Ik ben het slachtoffer, ik zweer het bij de Profeet,’ zei de officier vanonder de rand van zijn pet. ‘Kijk maar in het register. Het is niet voor niets dat ik zo vroeg oud ben geworden. Ik ben dertig jaar in dienst, ik zweer het u, en het is elke dag hetzelfde liedje, van Manzala tot Aneba en van el-Ariesj tot Mersa Matroeh… Ik heb gezien hoe ze elkaar afslachtten om een suikerrietstengel. Ik heb ze een dorsvloer in de fik zien steken voor een maïskolf. De mensen zijn gek geworden. Geen wonder dat we hier zo jong al grijs worden.’

Plotseling hield hij op met praten en greep hij naar een hand die langzaam over het tafelblad kroop. Hij gaf er een harde, nerveuze tik op en zei: ‘Ik heb je honderd keer gezegd: ga ergens anders een vloei zoeken. Of is dit soms de enige op het hele politiebureau? Mijn God, we zitten hier toch niet op de markt?’

Hij wachtte tot de eigenaar van de hand was afgedropen, keek me aan met zijn serieuze, strakgespannen gezicht en zei: ‘Terwijl ik me loop op te winden, maken die lamzakken zich nergens druk om. Die doen de hele dag niets anders dan loltrappen en rondlummelen.’

Al pratend wenkte hij met zijn ogen naar de telefoonkamer, waar een paar agenten zich om een vadsige collega met een enorme buik hadden verzameld. De ene helft hield zijn handen vast, terwijl de andere helft zijn broek naar beneden trok. Hijgend probeerde de man zich met alle kracht die zijn vette lijf hem toestond, aan hun greep te ontworstelen.

Vanuit mijn ooghoek zag ik Farahaat glimlachen, en het duurde niet lang of hij schaterde het uit. Hij vergat alles om zich heen en rekte zijn hals zo ver mogelijk uit om het tafereel nog beter te kunnen volgen, en toen de man met de buik erin slaagde aan zijn belagers te ontsnappen, was de teleurstelling duidelijk op zijn gezicht te lezen. Hij zei hard, met zijn onvervalst zuidelijke accent: ‘Stelletje wijven… Kunnen jullie niet eens tegen die dikzak op?’

Nauwelijks had hij dat gezegd, of er ging een zijdeur open en de adjunct-commissaris verscheen op de binnenplaats. Iedereen verstijfde en deed alsof hij doofstom was, terwijl er een grimmige stemming over het bureau neerdaalde. De sergeant-majoor vroeg streng aan de vrouw: ‘Khadiedja Mohammed hoe?’

Ik volgde de ondervraging niet meer, want mijn aandacht werd getrokken door de nachtpatrouille die zich op de binnenplaats had verzameld. Het was een wonderlijk gezicht: twee pikdonkere rijen, slechts verlicht door de glinstering van de geelkoperen knopen van de uniformen, met daarboven een vuur van scharlakenrode fezzen, en voor elke rij een serie uitgestoken handen, die nonchalant een geweer vasthielden… In de duisternis klonk nu en dan gelach en gefluister, dat meteen daarna weer wegstierf, met de snelheid van een vallende ster. Soms trok iemand een ellenboog in om een buurman aan te stoten. De adjunct voerde zijn inspectieronde uit als een mannetjeskalkoen, met zijn neus in de lucht, zijn ogen gefixeerd op ongepoetste knopen en schoenen met kale plekken. Na een paar keer heen en weer te zijn gelopen, ging hij zijn kamer binnen, kennelijk om iets te eten, want even later kwam hij kauwend weer naar buiten, zijn lippen glimmend van het vet. Terwijl hij nog bezig was zijn handen af te drogen, hervatte hij zijn inspectie. De bodem werd geplet onder het gestamp van schoenen en geweerkolven. Sommige agenten werden gestraft, anderen kwamen er vanaf met een reprimande.

En toen: ´Schouder geweer! Patrouille, voorwaarts, mars!´

Klossend en struikelend verliet de patrouille de binnenplaats. De dikkerd liep achteraan en probeerde tevergeefs in de maat te lopen. Na het vertrek van de patrouille was de binnenplaats uitgestorven, als een nachttrein die zijn eindstation nadert. Ik liep terug naar Farahaat. Hij was nog steeds bezig met het ondervragen van de vrouw.

‘Waar hebben ze je aangevallen?’

‘In de bioscoop.’

‘Hoe ben je in de bioscoop terecht gekomen?’

‘Door Mahmoed.’

‘Mahmoed wie?’

‘Mahmoed!’

Farahaats zuidelijke temperament stak de kop weer op en hij hield op met schrijven.

‘Wie is die Mahmoed?’ vroeg hij met gefronste wenkbrauwen.

‘Mijn neef van moederskant.’

Hij legde zijn pen neer.

‘Mijn God, wat is dit voor een krabbenland!’ verzuchtte hij, terwijl hij een oud blikken sigarettendoosje van een duur merk uit zijn zak haalde. Afgezien van een doosje lucifers, zag ik dat er twee gewone sigaretten en één met een filter in zaten. Hij stak een van de gewone sigaretten op en mompelde iets vaags over vaders en grootvaders. Maar alle vaagheid verdween, toen hij tegen zichzelf begon te praten: ‘Wat hebben jullie in godsnaam in een bioscoop te zoeken? Wat een waanzin! Daar horen jullie toch helemaal niet thuis?’

Hij onderbrak zichzelf en vroeg aan de vrouw, terwijl hij achterover leunde en zijn benen over elkaar sloeg: ‘Waarom ga je met zo iemand naar de bioscoop?’

Hij stuurde zijn ogen zoekend in mijn richting, alsof hij wilde dat ik getuige was van haar antwoord, en ik vroeg: ‘Is dit nog steeds een verhoor?’

‘Jazeker, nog steeds, en ik vraag me af of er ooit een eind aan zal komen. Maar u hebt gelijk. Ik weet dat ik u al te lang heb laten wachten. Geef me nog één minuut, en ik sta tot uw beschikking.’

Kennelijk hield hij me voor iemand die een klacht wilde indienen, of een vergrijp wilde aangeven. Waarschijnlijk dat laatste. Of misschien probeerde hij mijn verblijf te rekken, omdat hij in mij een luisterend oor had gevonden, iemand bij wie hij op een lange avond als deze zijn hart kon luchten. Glimlachend noteerde hij iets in het schrift en zei tegen mij: ‘U kunt niet beweren dat u zich niet vermaakt. Geef toe: dit is toch stukken beter dan de bioscoop?’

Hij slaakte een diepe zucht en vroeg aan de vrouw: ‘Wat heeft je ex-man tegen je? En wat had jij in die bioscoop te zoeken? Zeg iets, meiske. Wat heeft je ex-man tegen je?’

‘Ik heb hem laten veroordelen tot het betalen van alimentatie.’

Hij schreef weer een paar woorden op en keek mij vol afkeer aan.

‘Wat zijn dat nou weer voor verzinsels? De bioscoop! Ze kunnen er beter soep van koken.’

‘Waarom? Vindt u films niet leuk?’

‘Of ik ze leuk vind? Hoezo, leuk? Een film dient om de hersens te voeden. Al die grappen die ze maken en die dansjes die ze opvoeren, leiden tot niets.’

Hij pakte zijn pen weer op en drukte de punt op het papier, maar in plaats van te schrijven, zei hij quasi nonchalant: ‘Ik heb zelf een keer een film gemaakt, toen ik mijn buik vol had van die onzinnige verhalen.’

Hoewel ik door zijn onverschillige toon niet goed naar hem had geluisterd, klonken zijn woorden me vreemd in de oren en ik vroeg: ‘Wát hebt u gemaakt?’

‘Een film – een soort verhaal eigenlijk.’

‘Maar hoe dan? Hebt u er zelf in gespeeld?’

‘Nee… Ik heb een film speciaal voor de bioscoop gemaakt.’

Ik kon dit niet serieus nemen en wilde al gaan lachen, in de veronderstelling dat hij, naïef als hij was, een film dacht te kunnen maken over een ongeluk waar hij getuige van was geweest, of van een van de vele misdaden die hij in zijn leven had meegemaakt. Terwijl ik mijn lachen probeerde in te houden, vroeg ik: ‘Wat voor film is dat?’

Hij begon in alle rust te vertellen, zonder zijn keel te schrapen, zonder rechtop te gaan zitten, zonder zijn pen neer te leggen, en zelfs zonder de vrouw en de andere mensen voor het hekje een blik waardig te keuren:

‘De film gaat over een man uit India, die naar Cairo komt. Een steenrijke vent, net zo rijk is als wij arm zijn. Hij logeert in een luxe hotel, zoiets als Mina House of het Shebets. En daar bij dat hotel hangt een kerel rond, net zo’n arme sloeber als wij…’

Ineens stonden al mijn zintuigen op scherp en ik leunde zo ver mogelijk over het hekje heen, om geen woord te missen.

Op dat moment kwam er een vrouw binnen. Half gillend smeekte ze om hulp. Ze was knap en had een blanke huid. Haar wenkbrauwen waren opvallend zorgvuldig opgemaakt. Sergeant-majoor Farahaat brulde: ‘Wat is er aan de hand, vrouw? Is de wereld aan het vergaan?’

‘Nee, nee! Help! Die jongen heeft zijn moeder doodgeslagen!’

‘Welke jongen?’

‘De zoon van onze buren!’

‘En wat hebben wij daarmee te maken?’

‘Wat? U bent toch van de politie?’

‘Vindt u dat de politie tussen een moeder en haar zoon moet komen?’

‘Eh, nee… Maar toch wel als hij haar vermoordt?’

‘Ja, dat zou de zaak inderdaad veranderen. In dat geval zouden we hem oppakken.’

De vrouw gaf de moed op. Ze trok zich samen met mijn bewaker terug in een hoek en begon hem fluisterend het hele verhaal te vertellen, waarbij ze veelvuldig gebruik maakte van haar wenkbrauwen. Even later vertrok ze en liet de soldaat, die duidelijk gecharmeerd was van de taal van haar wenkbrauwen, verbijsterd achter.

Sergeant-majoor Farahaat richtte zich weer tot mij.

‘Wat een drama! Zo’n jongen toch! Maar goed, waar waren we gebleven? Die arme sloeber heeft geen werk. Hij werkt zogezegd bij de Openbare Zonvoorziening: overdag vullen ze flessen met zonlicht en ’s nachts gaan ze ermee langs de deuren. Ja, ja, zo is het maar net. Als die Indiër op een dag uit zijn hotel komt, valt er een diamant uit zijn zak, die vandaag de dag minstens een waarde van zeventig tot tachtigduizend pond zou hebben. De Egyptenaar ziet het gebeuren, pakt de edelsteen van de grond en geeft hem terug aan de rijke Indiër.’

‘Over wat voor steen heb je het, opschepper?’

We keken allebei tegelijk op. Voor ons stond een lange sergeant, met een dossier in zijn hand.

‘Wat heb je gedaan met die anonieme dode?’

‘Wat zou ik ermee moeten doen? Door de straten gaan lopen en vragen wie er een lijk kwijt is?’

‘Ik ben naar het ziekenhuis geweest en ik heb hem gezien.’

‘Aangenaam kennis te maken…’

‘Luister, hij heeft lichtbruine, honingkleurige ogen, grijs haar en op zijn rechter slaap…’

‘Waarom vertel je me dat allemaal? Ik heb je toch niet naar hem toegestuurd om hem ten huwelijk te vragen? Wat sta je nou te bazelen over honing, lummel? Het lijkt me beter als je weer aan het werk gaat.’

Toen draaide hij zich naar mij en vervolgde: ‘De Indiër wil de Egyptenaar geld geven, maar die weigert ook maar een cent aan te nemen. Wat hij ook probeert, de man is niet te vermurwen. Daardoor stijgt de Egyptenaar enorm in aanzien bij de Indiër, die buitengewoon ingenomen met hem is. De dagen verstrijken en de Indiër keert terug naar zijn land. Omdat hij nog steeds niet weet hoe hij de Egyptenaar moet belonen, besluit hij uiteindelijk een lot op zijn naam te kopen. Hij denkt dat dat de beste manier is. En weet u hoe hoog de eerste prijs is? Of nee, wacht, laten we eerst een glas thee drinken.’

Hij moest meerdere malen in zijn handen klappen, alvorens het hulpje van de kantine verscheen. Hij bestelde thee en vervolgens had hij een lange woordenwisseling met de jongen over het aantal consumpties dat hij die dag had genuttigd. Volgens de jongen waren het er drie en volgens hem maar twee. Zelfs toen de thee al was gebracht, gingen ze nog door.

We hoorden de deur van de adjunct opengaan en zagen hoe hij naar de binnenplaats liep en zich uitrekte. Farahaat begon de vrouw weer te ondervragen: ‘Goed, vertel me wat er is gebeurd.’

‘Toen ik mijn man door de rechtbank had laten veroordelen, probeerde hij me te dwingen van mijn recht op alimentatie af te zien. Maar ik weigerde, en toen heeft hij zijn moeder, zijn zus en de dochter van…’

‘Stil. Zo is het wel genoeg. En hebben zij je in de bioscoop aangevallen?’

‘Ja, ze hebben me zo hard geslagen dat het maar weinig had gescheeld, of ik had een miskraam gekregen.’

‘Wat?’

‘Ja, ik ben zes maanden zwanger.’

De sergeant-majoor, die het verhaal steeds interessanter begon te vinden, legde het rapport terzijde en vroeg nieuwsgierig: ‘Mijn God! Van wie ben je dan zwanger, meiske?’

‘Van hem, meneer de bey, van mijn ex-man.’

‘Wanneer is dat dan gebeurd?’

‘Voordat hij me heeft verstoten.’

‘Maar waarom heeft je man je verstoten als je zwanger was?’

‘Omdat hij dat had gezworen.’

‘Wat had hij gezworen? En wanneer heeft hij je verstoten?’

‘In de eerste nacht van de ramadan. Ik had tijdens de laatste maaltijd vóór de vasten een aardewerken kruik van zijn moeder gebroken. Hij was zo boos, dat hij drie keer heeft gezworen dat hij mijn arm zou breken, of me anders zou verstoten.’

‘En, heeft hij je arm gebroken?’

‘Nee, hij heeft me verstoten.’

‘Mijn God, ik voelde het al in mijn hart. Dus die kruik van zijn moeder is de reden van al die ellende. Omdat tijdens de afgelopen ramadan de kruik van zijn moeder is gebroken, moet ík me vandaag uitsloven. Ik ben dus het slachtoffer geworden van een armzalige kruik, die niet meer dan een piaster waard is. Luister, meiske. Heb je nog iets aan je verhaal toe te voegen? Wil je nog iets kwijt?’

‘Ja, meneer de bey, Ajjoesja is degene die mijn oorbellen uit mijn oren heeft getrokken, en haar moeder, die…’

‘Ho, ho, meiske. Ik bedoel: wil je nog iets anders kwijt, behalve wat je al hebt gezegd?’

‘Maar ik heb nog niets gezegd.’

Ik kon me niet meer beheersen en barstte in lachen uit, en ook de barsheid van de sergeant-majoor maakte plaats voor een hoge schaterlach. Hij sloot het rapport af, gaapte en schudde zuchtend zijn hoofd.

De vrouw vertrok met een verwijzing voor een medisch onderzoek, en tot mijn grote verbazing gingen alle andere aanwezigen met haar mee.

‘En hoeveel was die hoofdprijs?’

‘Zo, dus u bent het nog niet vergeten? Een miljoen pond. Maar ik moet erbij zeggen dat het allemaal niet zomaar gaat. De Indiër koopt namelijk honderd loten, om er zeker van te zijn dat hij zal winnen, en inderdaad, als de trekking komt, valt de eerste prijs op een van de loten. Een miljoen pond, belastingvrij! Maar denkt u dat het ook maar één moment in hem opkomt om het geld voor zichzelf te houden? Welnee, in tegendeel! Weet u wat hij doet? Hij koopt een enorm vrachtschip, dat hij vult met de beste kwaliteit Indische zijde, ivoor, struisvogelveren, groene laken, kasjmier en chique meubels. Als hij dat heeft gedaan, stuurt hij het volgeladen schip, inclusief de bemanning, naar Alexandrië. Daarna stuurt hij de koopakte en de vrijwaringsbrief van de politie naar onze vriend in Cairo. Die hoeft de spullen dus alleen nog maar op te halen.

En ja hoor, daar komt het schip al aan in Alexandrië. Het is iets ongelooflijks. Iedereen heeft het er over. Maar goed, om een lang verhaal kort te maken, de Egyptenaar verkoopt alle goederen en schaft van de opbrengst een tweede schip aan. En zo gaat er steeds een volgeladen schip weg en komt er een volgeladen schip terug. Als u weet hoe duur het al is om een piepklein pakje per trein te sturen, dan kunt u zich wel voorstellen wat zo’n enorm vrachtschip per keer opbrengt!’

Op dat moment kwam er een klein, mager mannetje met een kaal hoofd het kantoor binnen gestormd. Zijn galabia zat onder de olievlekken en hij droeg houten kleppers, die een irritant geluid maakten. Met een van pijn vertrokken gezicht zei hij: ‘Meneer, meneer…’

De man werkte meteen op Farahaats zenuwen. Alsof hij verwachtte dat de ander hem met zijn vuist op zijn neus zou gaan slaan, snauwde hij: ‘Man, wat bezielt je?’

‘Niks, meneer, maar die hoerenzoon heeft een baksteen door de ruit van mijn winkel gegooid. Ik weet niet waar je die ruiten nog kunt krijgen. Het is origineel Belgisch kristal van voor de oorlog. Drie bij drie meter. Moge God je huis in puin leggen, zoals jij bij het mijne hebt gedaan, hoerenzoon!’

‘Welke winkel is het?’

‘De kruidenier van Liefde en Broederschap in de hoofdstraat.’

‘Ja, die ken ik wel. Is het die winkel op de hoek, tegenover de garage?’

‘Ja, die is het. Moge God u voorspoed schenken en u behoeden voor…’

‘En welke etalage hebben ze gebroken, die aan de kant van de straat, of die aan de kant van de steeg?’

‘De grote, meneer, aan de kant van de steeg.’

‘Die valt niet onder ons, die valt onder Boelaak,’ zei de sergeant-majoor, terwijl hij de zaak wegwuifde en zich opmaakte om door te gaan met zijn  verhaal.

‘Maar hoe kan dat, meneer de bey, als het pand zelf wel in uw district staat?’

‘De kant van de steeg valt onder Boelaak.’

‘Alstublieft, meneer!’

‘Ik heb je gezegd dat het onze zaak niet is. Ga maar naar Boelaak.’

‘Maar mene…’

‘Vooruit, wegwezen! Moge de khamasien je halen!’

Klossend op zijn houten kleppers rende de man weer net zo hard naar buiten als hij was binnengekomen. Farahaat wachtte tot het geluid was weggestorven en hervatte zijn verhaal, terwijl hij de sfeer die de kruidenier had verstoord, weer probeerde te herstellen. Hij leunde nog iets verder naar achter, zodat zijn stoel doorboog, en zette zijn uniformpet af. Terwijl hij hem tussen zijn vingers liet ronddraaien en zich er af en toe koelte mee toewaaide, vervolgde hij:

‘De Egyptenaar, die schoon genoeg heeft van al die buitenlandse schepen in de haven van Alexandrië, weet in een mum van tijd met Gods hulp zijn handel flink uit te breiden. Binnen een jaar heeft hij alle Engelse, Italiaanse en andere buitenlandse schepen opgekocht en voortaan wordt alleen nog de groene vlag gehesen.’

Het viel me op dat de gelaatstrekken van sergeant-majoor Farahaat zich ontspanden. Elk spoor van onbehagen en irritatie was uit zijn gezicht verdwenen en had plaatsgemaakt voor de voldoening van de ouderdom. Zijn ogen zweefden door de hemel van de kamer, als dromerige vlinders. Zijn stem was vrij van elke wanklank en vervuld van een aangename vervoering, waardoor de woorden zoet als bijenhoning uit zijn mond rolden. Je kon niet anders dan ontroerd raken door de melodische trilling waarmee ze zachtjes wegstroomden in de sombere stilte die het kantoor beheerste, zoals de stilte in een begrafenistent aan het eind van de nacht, wanneer je alleen nog het gesis van de gaslampen en het geprevel van de rouwenden hoort.

‘Uiteindelijk bezit de man zo veel schepen, dat ze niet meer te tellen zijn. De kleinste zijn tien of vijftien keer zo groot als dit hele bureau. En denkt u dat hij het daarbij laat? In tegendeel. Omdat de rijkdom hem nog steeds niet naar het hoofd is gestegen, koopt hij met de opbrengst van de schepen een grote textielfabriek, waar bijna een half miljoen arbeiders werken. Een maand later koopt hij met de winst van de textielfabriek een glasfabriek, en daarna komen er molens, rijstpellerijen, katoenplantages, suikerraffinaderijen, gasinstallaties, papierverwerkingsbedrijven en machine- en staalfabrieken bij… En zo gebeurt het dat hij op een dag alle fabrieken en bedrijven van Egypte in zijn bezit heeft.

Maar omdat hij niet van chaos houdt, brengt hij alles bij elkaar op één stuk grond van duizend feddan. Nee, wat zeg ik? Duizend is lang niet genoeg! Het zijn er wel tienduizend: vijfduizend voor de fabrieken en de andere vijfduizend voor arbeiderswoningen. Dat zijn trouwens niet zomaar woningen. Nee, het zijn echte huizen met tuinen en balkons, met alles erop en eraan, zoals kippenrennen, konijnenhokken en noem maar op. Maar dat is nog niet alles. Hij wil namelijk in geen enkel opzicht van het zweet van zijn arbeiders profiteren. Wie voor vijf piaster werkt, krijgt vijf piaster, en wie voor tien piaster werkt, krijgt er tien. Vergeef me dat ik het zeg, maar als een arbeider goed wordt betaald, wordt hij vanzelf trots en gaat hij nog harder werken. Egyptenaren zijn immers een volk van farao’s, van vader op zoon. Van één meter maken ze er twee en in plaats van één schoen, maken ze meteen een paar. Het is geven en nemen: geef mij mijn recht en neem jij het jouwe.

Maar goed, de arbeiders zijn onherkenbaar veranderd: hun kleren zijn brandschoon, ze gaan in gestreken overalls naar hun werk en als ze ’s middags terugkomen, trekken ze hun nette pak aan, met een fez van Nisr en patentleren schoenen.

En wat een cafés, tuinen en casino’s! Wat een pracht! En alle mensen zijn aardig, vrolijk en blij. Er is geen haat en er gebeuren geen nare dingen. Er wordt de hele dag gelachen en plezier gemaakt. En ’s avonds gaan ze naar de bioscoop. De bioscopen zijn heel belangrijk. In elke straat staat er een en iedereen, groot en klein, moet er naartoe. De films die worden vertoond, zijn van de beste kwaliteit. Politie? Die hebben ze niet. Er is één agent, die in plaats van acht uur patrouilleren, achter een klein bureau in een glazen hokje midden op straat zit. Wie iets wil, kan naar hem toegaan.

O, wacht even, het schorriemorrie is gearriveerd. Eens zien hoeveel de opbrengst vandaag is.’

Ik had inderdaad een zacht geroezemoes bij de deur gehoord, maar ik was zo in beslag genomen door Farahaats verhaal, dat ik er geen aandacht aan had besteed. Ik draaide me om naar de deur en zag vier of vijf politiemannen in burger, met vilten hoeden op hun hoofd, die aan elke hand een tros zwerfkinderen en oude bedelaars achter zich aansleepten. Naast de reusachtige politiemannen zagen de kinderen, die met de zomen van hun galabia’s aan elkaar waren geknoopt, eruit als angstige katjes. Ze staken de binnenplaats over en uiteindelijk kwam de rumoerige stoet bij de houten afrastering tot stilstand. Sergeant-majoor Farahaat maakte met één opmerking een einde aan het lawaai: ‘Afgelopen! Mond houden, jij! En jij ook! Zet ze in een rij, Aboe Taha. Ik wil geen woord meer horen!’

De politiemannen vertrokken en de kinderen vormden in stilte een rij.

Sergeant-majoor Farahaat, die nog steeds in een euforie verkeerde, ging nog verder achterover zitten.

‘En toen?’ vroeg ik.

‘Niet “en toen”, maar “en nu”… Er worden machines uit Duitsland geïmporteerd en de arbeiders en ingenieurs gaan aan de slag met het ontginnen van de woestijn. Stel u voor, al dat zand! Zelfs als een sneltrein zeven dagen aan één stuk door zou rijden, dan zou hij het eindpunt nog niet halen. Maar wat veel belangrijker is, is dat er geen waterwielen, ploegen en dat soort ouderwetse werktuigen meer worden gebruikt. Alles wordt door machines gedaan. Er is een machine om de grond te bevloeien, een machine om te dorsen, een machine om het land te bemesten. En er zijn zelfs machines die de katoen verzamelen en de klaver plukken. De arbeiders die het werk doen, hebben niets meer op met galabia’s, vesten, boerenpetjes en dat soort kleren. Nee hoor, ze dragen allemaal pakken – kaki kniebroeken, smetteloos witte hoeden en schoenen met dubbele zolen, die nooit versleten raken. Ze lopen elke ochtend in een rij naar het land, werken tot de middag en komen in een rij weer terug. En de vrouwen doen hetzelfde, behalve dat ze op een ander stuk land werken. De huizen zijn allemaal van baksteen. Ze hebben de gaslampen afgezworen en alles werkt op elektriciteit, op kosten van de eigenaar, wel te verstaan. Elke huizenrij heeft zijn eigen kantine, waar ze tussen de middag gezamenlijk eten. Daarna gaan ze naar huis voor de siësta en aan het eind van de middag gaan ze naar school, waar ze leren lezen en schrijven en waar ze op de hoogte worden gesteld van hun rechten en plichten. Maar ik zal het kort houden. De man is inmiddels zo rijk, dat hij zijn belangstelling voor geld begint te verliezen. Geld is voor hem nog minder waard dan stof. Als je zo veel geld hebt, moet je er wel een afkeer van krijgen. Het is net zoals met appels: als je er te veel van eet, gaan ze je tegenstaan. Dus verklaart hij op een dag voor de radio… O, ja, dat was ik nog vergeten te vertellen: hij heeft zijn eigen radiostation gebouwd en in elk huis een verbinding laten aanleggen. Hij zegt dus door de microfoon dat hij van plan is zijn handen van alles af te trekken.’

Sergeant-majoor Farahaat keek me aan, alsof hij aan iets heel anders dacht. Plotseling riep hij tegen mijn bewaker: ‘Hé, wat sta jij daar te lummelen? Heb je niets beters te doen?’

De soldaat hakkelde: ‘Dat komt omdat… Die meneer… Hij is aan mij overgedragen…’

‘Overgedragen? Waarom?’

‘Omdat ik hem moet bewaken.’

De sergeant-majoor keek me aan met een blik die ik nog niet eerder had gezien en zijn ogen lieten me niet meer los. Ongetwijfeld vond hij dat ik er niet uitzag als een moordenaar, een dief, of een kinderontvoerder, en ik weet niet wat hij bedoelde, toen hij bedachtzaam zei: ‘O, deze meneer… Hoort u echt bij hen?’

‘Bij wie?’ vroeg ik glimlachend. ‘Maar u hebt me nog niet verteld wat hij nou op de radio zegt.’

Hij bleef me aanstaren en zei verstrooid: ‘O, dat weet ik eigenlijk niet meer. Laat maar zitten. Het zijn maar woorden. U dacht toch niet dat het echt waar was?’

Zijn gezicht spande zich, tot zijn huid weer zo strak als een trommel was geworden. Hij schoof zijn pet weer over zijn voorhoofd en stortte zich op een oude bedelaar die voor in de rij stond. Hij wierp hem een vernietigende blik toe en even later barstte hij los in zijn gebruikelijke gebrul:

‘Zeg iets, slampamper! Hoe heet je?

Vertaald uit het Arabisch door Djûke Poppinga en gepubliceerd met toestemming van Schwob.

Yusuf Idris
Foto: niet bekend

Yusuf Idris (1927–1991) was een Egyptische schrijver van toneelstukken, romans en korte verhalen. Hij is verschillende keren genomineerd voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Lees meer over hem en zijn achtergrond in dit essay van Marcel Kurpershoek.

Tot zijn bekendere werk hoort de roman ‘Sinners‘, waarin het vinden van het lijkje van een baby aanleiding vormt voor eigenrecht en vreemdelingenhaat.