Marcel Kurpershoek -

Yusuf Idris en de Egyptische opstand van 2070

Leestijd 12 - 15 min

In 1946 verkeerde Egypte in oproer. Revolutie hing in de lucht. Jongeren met een opleiding kwamen in opstand tegen de leugens en de ongelijkheid. Het land was in naam onafhankelijk, maar het Britse leger maakte er de dienst uit. Aan het hoofd van de nep-onafhankelijkheid stond een nep-koning: Farouk leek op een nijlpaard dat tot zijn neusgaten weggezonken lag in een modderplas van corruptie, hofschandalen, en uitspattingen. De politieke partijen waren clubs voor de elite van landheren en een bovenklasse. Hun goede leventje kon gedijen dankzij het gezwoeg en afzien van miljoenen arme sloebers. Sinds de farao’s was dat de maatschappelijke ordening van Egypte. De Egyptische boer en landarbeider, de fellah, was legendarisch om zijn fatalisme, geduld, melancholieke humor, en zijn vermogen om een portie tevredenheid en genot te peuren uit wat beschikbaar was. Het goede klimaat, de groene natuur en vruchtbaarheid van het Nijldal, thee, suiker, rookwaren, zoetigheid, de geur en smaak van versgebakken brood, het genot van de echtelijke sponde, de troost die het opperwezen door zijn openbaring had geschonken, de rijke sociale contacten en verhalen, de voordelen die vielen te halen uit kleine slimmigheidjes – dat was de bedding waarin de grote massa duizenden jaren had geleefd, op een ritme dat even voorspelbaar was als de jaarlijkse vloed van de Nijl.

De opstand brak dan ook niet uit op het platteland. De broedplaats van het nieuwe denken waren de universiteiten en andere onderwijsinstellingen in de grote steden. De studenten leerden er over gelijkheid en vooruitgang. Wat zij om zich heen zagen was het tegendeel: ongelijkheid en stagnatie, met aanspraken op eeuwigheidswaarde dankzij de hand en spandiensten van de islamitische geestelijken en hun bolwerk, de Azhar-universiteit. Veel studenten waren afkomstig van het platteland en hadden het thuis niet breed. Des te scherper voelden zij de tegenstelling tussen de idealen die zij hadden geleerd en de werkelijkheid. Dat riep om actie. De Moslim Broeders en linkse bewegingen zetten de toon. En die was nationalistisch en anti-gevestigde orde. Ook al profiteerden de activisten van de mogelijkheden die de gevestigde orde bood: Yusuf Idris (geboren in 1927) kreeg gratis toegang tot de medische faculteit dankzij zijn schoolprestaties. De studenten van de  medische faculteit marcheerden vooraan in de stoet betogers die in 1946 de brand staken in trams en bussen. Op de Giza-brug (toen de Abbas-brug) raakten zij slaags met de politie. Het duurde nog zes jaar voordat Farouk werd gedwongen tot aftreden.

Dat was het gevolg van een militaire coup. Niet dankzij een volksopstand. Maar het kolonelsbewind profiteerde wel van de jaren van agitatie, propaganda, rellen en samenzweringen die vooraf waren gegaan. Gamal Abdel Nasser en zijn kornuiten stelden het voor alsof zij het corrupte ancien régime hadden omvergeworpen in naam van dezelfde leuzen als de studenten op de Giza-brug riepen. De mannen in uniform deden geen ordinaire greep naar de macht: zij waren een revolutionaire voorhoede op zoek naar een betere wereld. Zij handelden in naam van de goede onderdrukten, tegen de slechte uitbuiters, als bondgenoot van de studenten en andere krachten van de vooruitgang. Al snel maakten deze ‘Vrije Officieren’ korte metten met de communisten en andere linkse oppositie, en de Moslim Broeders. De ware nationalisten waren zij zelf, de verdedigers van het vaderland. Aangezien de macht door de officieren aan het volk was, hadden deze partijen geen bestaansrecht meer. Egypte werd een land geregeerd door de Mamelukken, de middeleeuwse dynastieën van beroepssoldaten. Met de stabiliteit van een monarchie. Tussen 1954 en 2011 waren er drie heersers: Nasser, Sadat en Moebarak.

Stel in plaats van de Britten, de koning, de grondbezitters en andere pasha’s, de politie en het leger, de Moslim Broeders en de linkse studenten zestig jaar geleden: nu de Amerikanen, president Moebarak, Ahmed Ezz en andere corrupte leden van de Nationale Democratische Partij, de politie en het leger, de Moslim Broeders en de Google & Twitter jongeren. Veel is herkenbaar gebleven in Egypte. Dat was 1952. Dit is 2011. En de omwenteling in 2070: zal die nog steeds herkenbaar zijn? Voor de schrijver Yusuf Idris: zeker.

Idris, overleden in 1991, zou meteen geweten hebben wat te doen en te zeggen in 2011. De plaats, het Tahrir-plein en de Giza-brug, de betogers en hun tegenstanders, de leuzen en idealen, het spel en de inzet: hij had blindelings kunnen vertrouwen op zijn instincten van 1946 en 1952. In alle gevallen zou hij onmiddellijk de ‘kant van het volk’ hebben gekozen. De jaren na zijn enthousiaste, spontane keuze zou hij doorbrengen op de kronkelwegen van de politieke realiteit. Bij de eerste afslag van het Tahrir-plein begint de doolhof al. Was het een zuivere volksopstand? Of was het eigenlijk een coup die zich bediende van een volksopstand? Wie heeft de macht na een ‘gecontroleerde overgang’? Voor de rechtvaardiging van zijn keuzes zal Idris kronkelredeneringen volgen, zichzelf regelmatig tegenspreken, en de weg kwijtraken. Daarom blijft de volksopstand het visioen waaraan hij vasthoudt als twijfel hem bekruipt. De herinnering aan dat ene moment in het verleden wordt verbonden met de droom van de toekomst. De romanticus Idris ziet een lichtflits en droomt van een dag waarop de verlichting duurzaam de overhand krijgt. Het is de seculiere versie van de religieuze heilsdroom. Hij kan zich er niet bij neerleggen dat de volksopstand niet meer is dan een adempauze. De timeout als het publiek voor even het veld – het Tahrir plein of een andere symbolische plek – in bezit mag nemen. Daarna keren de spelers terug en herneemt het volk zijn vertrouwde rol van toekijken, toejuichen, en uitfluiten. Idris weigert de zwaarte van deze eeuwige terugkeer. Hij komt ertegen in opstand, of hij nu twintig is of tachtig. Dat is zijn aard, zijn keuze, al maakt die hem het leven nog zo zwaar.

Op 23 juli 1952 was Idris begonnen aan zijn eerste chirurgische ingreep, een hernia-operatie, toen de anesthesist hem influisterde dat het leger de koning had afgezet en de macht had gegrepen. In zijn opwinding riep Idris een collega toe de operatie van hem over te nemen en rende het ziekenhuis uit, de straat op. In de jaren die volgden werd de onderdrukking alleen maar groter en was het helemaal gedaan met de vrijheid. Egypte volgde het voorbeeld van de Sovjet-Unie en haar satellieten. Idris wrong zich in alle bochten. Maar uiteindelijk gaf hij steeds het voordeel van de twijfel aan Nasser, vanwege het nationalisme en socialisme in de nasseristische geloofsbelijdenis: propaganda, want andere meningen waren niet toegestaan. Na 1967 was de ontgoocheling compleet, voor Idris en de hele intelligentsia die Nasser, ondanks bedenkingen, was blijven volgen. Op 25 juli 1969 publiceerde Idris het verhaal ‘De Operatie’. Een chirurg, dr. Adham, overtuigd van zijn eigen onfeilbaarheid, maakt een grotesk schouwspel van een simpele operatie. De assistent-in-opleiding kijkt verbijsterd toe terwijl zijn idool elementaire procedures achterwege laat, roekeloos zijn eigen ingevingen volgt, fout op fout stapelt, en tegen alle aanwijzingen in koppig doorzet tot het fiasco compleet is. De operatie is duidelijk een metafoor voor de militaire operatie van 1967: de rampzalig verlopen Zesdaagse Oorlog tegen Israël. En Dr Adham staat voor de van zijn voetstuk getuimelde dictator Nasser. Na de verafgoding van de chirurg, vallen de assistent de schellen van de ogen. Dr Adham is een ijdele potentaat, verblind door zijn grootheidswaan. De operatiezaal is het theater voor zijn primadonnagedrag. Als de patiënt, Egypte, bezwijkt onder zijn strapatsen, verklaart hij de operatie een succes, een experiment uniek van zijn soort in de wereld. Zelf is Idris dan allang dokter af en met andere coryfeeën fulltime schrijver bij de staatskrant al-Ahram. Enkele keren werd hij de laan uitgestuurd, wegens zijn ongezeggelijkheid, maar steeds weer in genade aangenomen. Hij had inmiddels de status van nationaal erfgoed bereikt.

Droom en werkelijkheid van Idris’ politieke idealen lopen speels door elkaar in De republiek van Farahat, het laatste verhaal dat Idris in 1954 schreef voordat hij een jaar in de gevangenis verdween vanwege zijn kritiek op de concessies die Nasser deed aan de Engelsen. Het verhaal opent in een groezelig politiebureau, het wrakke meubilair nauwelijks zichtbaar in het vale schijnsel van stoffige lampen. In dat decor trekt een aanhoudende stoet arrestanten en mensen die aangifte komen doen langs de dienstdoende sergeant Farahat. Gelaten doet hij zijn plicht, bij vlagen met barse vertedering over wat er leeft in de simpele zielen die voor hem verschijnen. Zijdelings, en dan steeds directer, richt hij zich tot de jongeman die om politieke redenen is opgepakt en gadeslaat wat zich in het bureau afspeelt. Misschien wil Farahat laten zien dat hij intellectueel op een hoger plan staat dan het volk dat wordt voorgeleid, dat hij de hoger opgeleide jongeman met een knipoog van verstandhouding kan betrekken in de ondervragingen. Dat kan hij bijvoorbeeld laten merken door dezelfde vraag twee keer te stellen: een keer in hoog-Arabisch dat alleen hij en de student begrijpen, en een keer in de volkstaal.

Later op de avond, als het onderwerp bioscoop aan bod komt, nemen de gesprekken een onverwachte wending. De aanleiding is de aangifte van een vrouw die in de bioscoop slaags raakte met de familie van haar ex-man. Deze had haar gedreigd met de vervloeking ‘zowaar als ik je drie keer verstoot, zal ik je arm breken’, toen zij de waterkruik van zijn moeder aan stukken had laten vallen. Aangezien hij haar arm niet had gebroken, voelde hij zich gehouden haar te verstoten. Maar over de financiële afwikkeling waren zij het niet eens geworden. Vandaar dat beide partijen elkaar in de bioscoop in de haren vlogen. Tussen neus en lippen vertelt Farahat de student dat hij ook een ‘cinema’ heeft gemaakt, een film, een fantasieverhaal dat hij als een film afdraait in zijn hoofd.  Op slag is de student helemaal gegrepen. Weg is de geamuseerde distantie en gebiologeerd volgt hij het scenario van Farahat. Telkens onderbroken door de binnenkomst van nieuwe arrestanten en personen met klachten, met hun verhalen en de komische reacties, weet Farahat de draad van zijn film vast te houden.

***

Een maharadja uit India, even rijk als de Egyptenaren arm zijn, verloor in Kairo zijn diamanten ring bij het verlaten van het hotel. Een Egyptische jongeman van het berooide soort dat werkt in de Zoncompagnie, overdag flessen vullen met zonlicht en daarmee ’s nachts rondventen, vond de ring en gaf hem terug aan de maharadja. De eerlijke vinder weigerde een cent beloning. Na lang nadenken vond de maharadja een oplossing: hij kocht honderd loterijloten en met één daarvan won de Egyptenaar de hoofdprijs. Van het een kwam het ander. Hij kreeg de hele koopvaardijvloot van Alexandrië in bezit, met de winst daarvan de textielindustrie, de glasfabrieken, meel, suiker, papier, gas, staal. Maar hij was geen Ahmed Ezz. Rond de fabrieken liet hij modeldorpen bouwen voor de arbeiders: bungalowtjes met balkon en tuin, de kippenrennen en konijnenhokken inbegrepen. Een eerlijk loon, nette kleren, nergens een hekel meer aan. Lachende gezichten, in iedere straat een cinema. Politie? Het was afgelopen met de patrouilles, alleen een kiosk midden op straat waar iedereen terecht kan die een bepaalde wens heeft. De landbouw wordt gemechaniseerd, de woestijn bevloeid, de boeren in het pak gestoken en gehuisvest in woningen van steen met gratis electra, een radio, en eten in de mess, werk tot de middag in aparte velden voor mannen en vrouwen, en na het middagdutje onderwijs voor iedereen. Tot op een dag de lottowinnaar genoeg had van het geld. Op zijn radiozender maakte hij bekend dat hij van alles afstand deed. Uit zichzelf. Zonder volksopstand. Het volk had liever gewild dat hij bleef.

Voordat de toehoorder meeloopt met de agent die hem komt ophalen, wil hij eerst van Farahat weten hoe het is afgelopen. ‘Ach wat,’ bromt die, ‘geloof je die onzin?’

De republiek van Farahat verscheen in 1956. Een socialistische droom met een hoog Duizend- en-Een Nachtgehalte, waarin een goede heerser van en uit het volk rechtvaardigheid en geluk brengt aan de mensen, de eenvoudige fellahs die dat verdienen. Egypte zoals het zou moeten zijn. En waarom niet?

Dit essay verscheen aan het begin van de Arabische Lente in Vrij Nederland.

Marcel Kurpershoek
Foto: niet bekend

Marcel Kurpershoek is arabist gezant voor Syrië. Eerder was hij ambassadeur in Polen, Turkije, Pakistan en Afghanistan, en werkte hij als diplomaat in Egypte, Syrië en Saoedi-Arabië, voor de NAVO in Brussel en voor de VN in New York. Hij schreef onder meer Volg de wolken (over reizen in Oost-Turkije en langs de Turks-Syrische grens), In limbo, op de grens van Syrië en Irak, de essaybundel Wie Luidt de Doodsklok over de Arabieren en Woest Arabië, een verslag van zijn reizen met bedoeïenendichters.

In de Arabische wereld geniet Kurpershoek groot aanzien als kenner van de Bedoeïnen-poëzie. Hij heeft een Research Fellowship aan de NYU Abu Dhabi, schrijft over Arabische poëzie in de nationale krant van Abu Dhabi en werkt mee een het tv-programma Million’s Poet – een talentenjacht voor dichters dat 100 miljoen kijkers trekt.