T.C. Boyle -

Casper

Leestijd 13 - 17 min

Ik noem hem Casper omdat ik hem zo noemde in twee eerdere verhalen, net zoals ik een ander vriendje van vroeger Lester noemde in de door hem geïnspireerde stukken. Maar allebei waren ze veel meer voor me dan alleen maar vrienden – het woord dekt niet eens een fractie van wat wij hadden: een verwantschap van de ziel, van de geest, van een koppige en vernikkelde ontevredenheid over de maatschappij en hoe de dingen nou eenmaal zijn, van een gedeelde goesting voor de natuur en een verlangen naar de wildernis, één van de meest betekenisvolle geschenken die ik ooit heb gekregen. We waren kinderen, en toen waren we tieners. Ik zou zeggen dat we de standaarddingen deden, maar aan Casper, die niet ongeschonden door zijn tienerjaren is gekomen, was er niets standaard. Ik wist het toen nog niet – had er zelfs nog nooit van gehoord – maar Casper had schizofrenie en deze aandoening zette haar weerhaken in hem terwijl hij bezig was in het gespierde, gehamerde lijf van zijn jongvolwassen zelf te groeien.

Wat ik wel wist was dat hij boeiend was, spannend, een geiser van gedachten had die bij mij nooit zouden opkomen maar die absoluut klopten zodra hij ze een stem gaf. En dan heb ik het niet alleen over de nachtelijke rooftochten van toen we pubers waren, de onstuitbare stroom van woede die we uitten met de gebruikelijke vergrijpen en wandaden, maar over veel meer. Zoals ik al zei: er was niets gebruikelijks aan Casper. Wie zijn we? Waar zijn we? Waarom zijn we? Deze vragen hadden ons mantra kunnen zijn, móéten zijn, maar we wisten ze nooit onder woorden te brengen. We handelden gewoon. We deden gewoon.

Goed. Wat is schizofrenie en hoe behandel je het? Feitelijk is het een genetisch mankement aan het gehele zenuwstelsel dat meestal voor het eerst zichtbaar wordt tijdens de adolescentie, en het leidt tot waanbeelden, hallucinaties, barsten in de werkelijkheid: gedrag dat ver buiten het normale valt. Behandel het met Haloperidol en Largactil en hoop er maar het beste van.  Tenminste, zo dacht men er in die tijd over. (In welke tijd? Lang, lang geleden.) Wij wisten hier niks van. Alles wat wij wisten was dat wij graag optrokken met Casper en zijn geniale IQ, zijn afgemeten lachje en zijn gruwelijke Weltanschauung. Een buurtkind net zoals de rest, maar dan niet zoals de rest. Een van ons, maar dan niet een van ons.

Dit is wat ik me herinner:

– Caspers Handschrift. Groep drie of vier en wij zitten daar en proberen de sierlijke krullen na te bootsen die de leraar met een krijtje op het bord zet. Een van de meisjes – ik zal haar naam niet noemen – net zo dom als het krijtje, maar ze zat naast me en had zo’n foutloos handschrift dat ze een Shodō-meester had kunnen zijn, terwijl ik worstelde met een kriebelige hoekige nauwelijks leesbare zooi die mij tot de dag van vandaag achtervolgt (godzijdank bestaat het toetsenbord). Ik was natuurlijk normaal. Of zo goed als. Maar Casper. Casper kleurde de bladzijdes praktisch zwart, negeerde volledig de behulpzame lijntjes, afgedrukt om onze probeersels binnen de perken te houden. Al zijn letters eindigden in een wirwar van krullen en kronkels, cirkels binnen cirkels, gezichten, handen, alles was tegelijk aan het verdrinken. Dit was kunst, geen handschrift. Maar het was ook een symptoom, en wij herkenden het als een afwijking, een teken dat Casper het schoonschrijven nooit zou beheersen, want dat zou al te gemakkelijk zijn. Hij keek door het papier heen, door het bureaublad en de vloer en het beton van de kelder, helemaal tot de gesmolten kern van de aarde. En hij ging als eerste van ons allemaal twee dagen per week naar de psych, hoewel anderen er ook terecht zouden komen.

– Caspers Kleding. Dit was later, tijdens de middelbare school. Casper ontwikkelde zijn eigen stijl en die stijl werd niet voorgeschreven door de mode maar door functionaliteit. Hij hield van de dichte bossen (en samen met hem hield ik van ze, dankzij onze ontelbare tochten naar de duisterste plekken, plekken waar alleen de geuren van modder, ontbinding en dood hingen) en hij wilde dat met zijn kleding uitdragen. Of nee, dat klinkt te rationeel en het rationele is hier niet op zijn plaats. Ik ben gewoon aan het projecteren. Wat ik zeggen wil, hij begon zijn eigen kleding te maken, van stijve, glanzend gelooide stukken leer, die hij ruwweg aaneennaaide tot een soort wambuis en de kortste der zelfgemaakte korte broeken. Wanneer het schoolhoofd verward uit zijn kantoor de aaneengesloten gangen in strompelde, alert op meisjes met te korte rokjes of jongens met te strakke broeken, en hij zag toevallig Casper (sloffend, kop naar beneden, werkend aan zijn onzichtbaarheid) dan deed hij het enige wat hij kon doen: hij stuurde Casper subiet naar huis. Maar Casper, triomfantelijk in zijn wambuis, was er de volgende ochtend weer, steels, wantrouwig (met goede redenen), opnieuw bezig zichzelf in de menigte op te laten gaan.

– Caspers Schoenen. Casper maakte ook zijn eigen schoenen. Uit dezelfde zware, onbuigzame lappen leer wist hij schoenen te maken die tien maten te groot voor hem waren, clownsschoenen, onder en boven ruwweg gestikt. Hij noemde ze mocassins. Ik was er minstens één keer bij toen hij het materiaal voor de zolen verzamelde. We vonden een weg naar een verlaten, overwoekerde fabriek in de bossen bij Route 9D, vlak boven Cold Spring (New York), en het dikke rubber van een afgedankte transportband, die tot in de eeuwigheid leek door te gaan, kon zomaar weggepakt worden zonder dat er moeilijk over werd gedaan. Er was gewoon niemand om er moeilijk over te doen. Niemand te bekennen, toen niet, nooit niet. Casper zette zijn voet erop, trok er een grove lijn omheen en gebruikte zijn mes om eruit te snijden wat hij nodig had. Ik ben er nooit achter gekomen hoe hij het rubber aan de onderkant van zijn mocassins vast wist te maken. Misschien deed hij dat wel niet. Misschien slofte hij daarom wel zo. (Natuurlijk hielpen de enkelgewichten van vijf kilo die hij droeg om sterker te worden ook niet. Vijf kilo. Die van mij waren één kilo en na honderd stappen gelopen te hebben, of de helling van Breakneck Ridge opgerend, hadden ze net zo goed een hoge concentratie piepkleine mensen kunnen zijn, dikke mensjes die zich aan mijn benen vastklampten.)

– Het Schoolhoofd. Casper zette het hem duur betaald, dat belachelijk conservatieve vasthouden aan de regels, vooral wanneer het op de kledingvoorschriften aankwam. Dus waren er de expedities naar het huis van het schoolhoofd om twee uur ’s nachts, het inslaan van de ruiten en het aangaan van het buitenlicht en Casper die er de ene tel wel was en de volgende niet meer, een vervlogen schim. In onze jaarboeken, waar iedereen in de exemplaren van vrienden zorgvuldig gedichtjes en herinneringen en gelukwensen over zijn of haar eigen foto heen krabbelde, koos Casper er simpelweg voor om ‘fascistische rukker’ over alle foto’s van ons geliefde schoolhoofd te kalken.

– Caspers Melk. Zoals vele meer doorsnee jongemannen wilde Casper zijn spieren tot de grootst mogelijke proporties kweken, en dus deed hij aan gewichtheffen. Hij schoor zijn kop kaal en liep rond in zijn kortste korte broek (waaronder hij natuurlijk geen ondergoed droeg, zodat bij de onschuldigste gelegenheden – in de pauze, bij zijn ouders aan tafel, of om het even welke tafel – zijn gereedschap er baldadig uit kwam bungelen). Hij verzwolg grote hoeveelheden tarwekiemen, want tarwekiemen bouwen spiermassa, en die spoelde hij weg met melk, meer dan vier liter per dag. Het was geweldig om hem een literpak te zien oppakken en die in een teug leeg te zien drinken, en natuurlijk probeerde ik hem na te streven – de gewichten, de melk en de tarwekiemen – wat gemengde resultaten opleverde. Hij was compact en gespierd, ik niet.

– Caspers Ideeën over Seksualiteit. Casper wilde met iemand naar bed maar wist niet hoe (net zoals wij allemaal). Hij had het idee dat meisjes het net zo graag wilden als wij, en dat de hele aanloop – afspraakjes, zoenen, voelen en de rest – overbodig was. Hij was een voorstander van verkrachting. Vrouwen wilden verkracht worden. En hij was er om hun hiermee van dienst te zijn. Voor zover ik weet heeft hij gelukkig zijn ideeën nooit uitgevoerd. Had hij dat wel gedaan, dan was hij veel eerder opgesloten. Wat zijn ouders betreft: zijn vader was joods, zijn moeder een katholieke Poolse, en zij beleden (of deden alsof) het unitarisme, maar daar wilde Casper niets van weten, niet van een godsdienst of overtuiging, behalve wat hij in zijn eigen hoofd zag of wat hij vond, vaak met mij, in de schoot van de natuur. Zijn ouders hadden het zwaar. Ik was op een avond bij hem thuis toen hij zijn ouders met hun seksualiteit confronteerde. ‘Ik hoorde jullie gisteravond NEUKEN!’ Ik weet niet meer hoe ze reageerden. Ik vermoed met een soort van onduidelijk verdriet. Later schreef hij een uitgebreide roman over een kosthuis waarin een man samenwoont met een troep zeer gewillige dames, maar de plot beperkte zich tot slechts enkele pagina’s. De rest werd ingenomen door Caspers in hoofdletters geschreven tirades tegen de kapitalistische samenleving. Hij was bezeten van het communisme, V.I. Lenin en Leon Trotski. (Hij was ook stapelgek op Leadbelly, niets anders dan Leadbelly, wiens tot op de graat teruggebrachte liedjes hij op het hoogste volume draaide in de kelderkamer die zijn ouders voor hem hadden opgeknapt.)

– Breakneck Ridge. Toen ik zeventien was en Casper achttien, de zomer voordat ik naar de universiteit zou gaan, sprintten we elke dag Breakneck Ridge op in de volle middagzon, met de gewichten om onze enkels. (Breakneck Ridge ligt ook aan Route 9D, niet ver vanwaar de verlaten fabriek van zo-even lag weg te teren in de bossen.) Waarom we Breakneck Ridge op sprintten in de dertiggradenhitte met gewichten om onze enkels? Geen idee. Misschien omdat we het konden. Als we op de top waren aangekomen smeten we soms eieren over de richel, mikkend op de gasten van het chique restaurant beneden. Waarom we met eieren smeten? Geen idee. Maar ik deed het omdat Casper het deed en Casper deed het omdat hij de bourgeoisie verafschuwde.

– Caspers Hond. Casper was ongeveer zestien en een van de allerbeste handbalspelers van zijn generatie. Soms reden we naar de stad met Caspers vader, die een zaak had op de Lower East Side, en dan namen we het op tegen de locals op hun eigen terrein. We wisten hun sportveldje net zo lang te behouden als we wilden, deels dankzij mijn vaardigheid en behendigheid, maar vooral dankzij die van Casper. Rond die tijd gaven Caspers ouders hem en zijn (niet schizofrene) broer een hond. We zaten in de auto en reden de stad uit, een bloedhete dag, en Casper keerde zich naar zijn vader en zei: ‘Weet je hoe ik de hond ga noemen?’ Zijn vader, lijdzaam (dat weet ik nu, maar toen was hij niets meer dan een vastgespijkerde houten plank, nog zo’n stut die een mysterieuze maatschappij ondersteunde die alleen maar leek te bestaan zodat wij haar neer konden beuken), zei, vermoeid: ‘Wat?’ ‘Blankie de jood,’ zei Casper, ‘Ik noem hem Blankie de jood.’

Mensen vragen me hoe ik zo goed in het hoofd kan kruipen van de geestelijk ontregelde personages uit mijn werk, zoals Stanley McCormick, de schizofrene hoofdpersoon van Riven Rock, en dan vertel ik over Casper. Casper was mijn rots, maar een broze van zandsteen, niet een van graniet. In Seattle ontmoette ik een vrouw die zei dat ze geraakt was door mijn roman en de beschrijving van Stanley, omdat ze een schizofrene broer had die ze tien jaar lang niet had gezien, tot een week geleden. Hij had zijn familie de rug toegekeerd, was op straat gaan leven en weigerde alle hulp. Tegenwoordig had hij een flatje en daar had ze hem bezocht. Hij leefde, net een geknapte elektriciteitskabel die over de grond slingerde. Hoe hij het redde, wilde ze weten, aangezien hij niets van therapeuten en hun psychotrope middelen moest hebben. Het was simpel, vertelde hij haar. Elke dag, alsof hij vitamines slikte, nam hij een dosis lsd. Dat was hoe hij zijn steekjes weer vastmaakte. Zo ver lag dat allemaal buiten ons begrip.

Maar Casper. Casper wist mij aan te steken, van de kleuterschool tot aan de middelbare, en ik mis hem. Hij gaf toe aan zijn duistere hallucinaties voordat hij voorgoed verdween en ik hem niet meer kon bereiken, niemand kon dat meer, en toen ik nog een keer bevriend raakte met een beschadigde en vreemd begaafde jonge man – deze keer was ik ouder dan twintig – zag ik Casper in hem terug. Net als Casper zou ook hij opgenomen worden en net als Casper was hij briljant, en de manier waarop zijn geest werkte, hoe het ontvlamde en zichzelf wist op te winden, gaf me diezelfde elektrische schok. Er zat een spanning in – het was net als dansen op de rand van de afgrond – en ik kreeg er niet genoeg van.

Maar ik ben normaal. Ik moet normaal zijn. We zijn allemaal normaal. Alleen zo kunnen we zijn.

Oorspronkelijke titel van dit verhaal is 'My best friend the schizophrenic'. Het verscheen eerder op Buzzfeed. Vertaling door Crispijn Sleeboom.

T.C. Boyle
Foto door Jamieson Fry

Thomas Coraghessan Boyle (1948, Santa Barbara, Californië) debuteerde in 1979 met de verhalenbundel Descent of Man en heeft inmiddels vijftien romans en meer dan honderd verhalen gepubliceerd. Boyle is zowel een zeer veelzijdig schrijver, die zich graag op het grensvlak begeeft van zwarte humor en ernst, als een begenadigd stilist. Om de woorden van Pieter Steinz in NRC te gebruiken: ‘Boyles zinnen hebben een superieure cadans die samen met de spannende plot vele van zijn romans tot pageturners maakt.’

Voor zijn derde roman World’s End, die deels speelt in zeventiende-eeuws Nieuw Amsterdam, kreeg hij in 1988 de Pen/Faulkner Prize. Ook zijn korte verhalen vallen geregeld in de prijzen: hij won zesmaal de O.Henry Award for Short Fiction. In Nederland verschijnt zijn werk bij uitgeverij Ambo|Anthos.

T.C. Boyle (Tom voor vrienden) woont in Santa Barbara, in een huis dat is ontworpen door de beroemde architect Frank Lloyd Wright (1867-1959). Boyles bekende en verfilmde roman The Women (2004) is een gefictionaliseerde biografie van Lloyd Wright, aan de hand van vier verschillende relaties met vrouwen.

Bezoek hier Boyles officiële website. Lees vooral het autobiografische essay ‘This Monkey, My Back’, waarin hij zijn verslaving aan het schrijven uit de doeken doet.

Mia Martin vertaalde verhalen van Ali Smith, Jonathan Safran Foer, Carson McCullers en, samen met Nicolette Hoekmeijer, van T.C. Boyle, Joe Brainard, Laura Riding en Grace Paley voor de tijdschriften De Tweede Ronde/Kort Verhaal en Tortuca.

Nicolette Hoekmeijer vertaalde onder meer romans van Toni Morrison, Nathan Englander en Edward St Aubyn en, samen met Mia Martin, verhalen van T.C. Boyle, Joe Brainard, Laura Riding en Grace Paley. Daarnaast is ze een van de organisatoren van de jaarlijkse vertalersgeluktournee en docente aan de Vertalersvakschool in Amsterdam.