Witold Gombrowicz

Witold Gombrowicz
Foto: Wikimedia Commons

Witold Gombrowicz (1904-1969) is een Poolse schrijver van verhalen, romans, toneelstukken, dagboeken en essays. Hij wordt naast Bruno Schulz en Stanisław Ignacy Witkiewicz beschouwd als voorman van de Poolse avant-garde. Zijn eerste bundel korte verhalen publiceerde hij in 1933. Zes jaar later, vlak voor de Duitse inval in Polen, vertrok hij naar Buenos Aires, Argentinië, waar hij aanvankelijk zo moeilijk kon rondkomen dat hij begrafenissen van volslagen vreemden bezocht om aan eten te komen. Later vond hij een vaste betrekking de Argentijnse tak van de Poolse staatsbank. In 1964 vestigde hij zich in Parijs; later dat jaar verhuisde hij naar Vence, bij Nice. Veel van zijn werk werd gepubliceerd in het Poolse emigrantentijdschrift Kultura, van Jerzy Giedroyć. In het communistische Polen was het werk van Gombrowicz lang verboden.

Gombrowicz’ literaire werk kenmerkt zich door een zekere obsessieve sacraliteit, waarbij op het eerste gezicht onbeduidende zaken en handelingen tot in het absurde worden uitvergroot. De personages in zijn romans en verhalen zijn vaak slachtoffers van een op de spits gedreven, groteske logica, waarop ze zelf geen vat lijken te hebben en waarin ze hun identiteit geheel lijken te verliezen. Dit levert vaak hilarische situaties op, die echter niet een louter onderhoudende functie hebben, maar de vraag oproepen naar betekenis en eigenheid.

Zijn bekendste roman is Ferdydurke (1937), waarin een volwassen man terug naar school wordt gestuurd om weer onvolwassen te worden. De roman werd geprezen door Bruno Schulz en Zofia Nałkowska. Andere noemenswaardige romans zijn Trans-Atlantisch (1953), Pornografie (1960), en Kosmos (1965) die door velen als zijn meest geslaagde roman wordt beschouwd. Deze vier boeken zijn ook als bundel te koop. Naast zijn romans schreef hij enkele absurdistische toneelstukken. Ook hield hij een uitgebreid dagboek bij. Zijn werk wordt vaak vergeleken met Kafka, Beckett, Ionesco, en de Franse existentialisten.

Verhalen van Witold Gombrowicz op Carver: